Het buitenspelen is afgelopen en de groep gaat naar binnen. Een baby wordt wakker en komt weer op de groep. Een kind komt na een lange schooldag de bso binnen. Een peuter die nog volledig opgaat in zijn bouwwerk hoort dat het tijd is om te gaan slapen. Voor volwassenen lijken dit kleine dagelijkse momenten, maar voor kinderen zijn het grote overgangen. Momenten waarop ze moeten stoppen, schakelen, wachten, aanpassen en opnieuw beginnen, en juist tijdens deze overgangsmomenten ontstaat vaak de onrust die we bestempelen als druk gedrag.
Wat een overgang vraagt
Een groep kinderen speelt buiten. Er wordt gerend, gefietst, geklommen en gelachen. Dan klinkt het signaal dat het tijd is om naar binnen te gaan. Binnen enkele minuten lijkt de sfeer veranderd. Een kind blijft rondrennen. Een ander vergeet zijn jas op te hangen. Bij de wasbak ontstaat geduw en getrek. Achter een ogenschijnlijk eenvoudige overgang schuilt een ingewikkeld proces. Kinderen moeten stoppen met wat ze aan het doen zijn, hun aandacht verleggen naar iets nieuws, onthouden wat er van hen verwacht wordt en hun impulsen reguleren. Daarbij doen ze een beroep op executieve functies: de vaardigheden die helpen om gedrag, aandacht en emoties aan te sturen. Executieve functies ontwikkelen zich gedurende de hele kindertijd. Vaardigheden zoals impulsbeheersing, cognitieve flexibiliteit en werkgeheugen zijn allemaal nog volop in ontwikkeling.
Wat voor volwassenen voelt als een kleine verandering, vraag van kinderen soms een flinke mentale inspanning. Daarnaast doen overgangsmomenten een beroep op zelfregulatie: het vermogen om gevoelens, spanning en gedrag af te stemmen op wat de situatie vraagt. Een kind moet niet alleen weten wat er gaat gebeuren, maar ook omgaan met de gevoelens die daarbij horen. Teleurstelling omdat het spel stopt. Ongeduld tijdens het wachten. Vermoeidheid aan het einde van de dag. Daarom zijn overgangsmomenten niet alleen praktisch van belang, maar ook in pedagogisch opzicht bijzonder betekenisvol.
Van buiten naar binnen
Wanneer kinderen buiten spelen, gebruiken ze hun lichaam op een andere manier dan binnen. Ze bewegen vrij, maken meer geluid en hebben vaak meer ruimte om hun energie kwijt te kunnen. Binnen worden ineens andere vaardigheden gevraagd. Stilzitten, wachten, luisteren en rekening houden met elkaar. Voor sommige kinderen verloopt die overgang soepel. Andere kinderen hebben meer tijd nodig om van de ene activiteit naar de andere te schakelen.
Lees verder via Kinderopvang Kennis, word abonnee of bestel hier het nummer in print.






